In de informatica is een string een reeks karakters. In veel programmeertalen wordt een string geschreven tussen aanhalingstekens. In sommige programmeertalen bevat een string ook een teken om het einde van de string aan te duiden (zoals het '\0' teken in de programeertaal C).
Het samenvoegen van twee (of meerdere) strings wordt concatenatie genoemd.
Hoe een string wordt weergegeven of gebruikt kan per programmeertaal verschillen. In sommige programmeertalen heeft men voor een bepaald teken gekozen om het einde van de string aan te duiden. Voorbeelden hiervan zijn in C het null-karakter of in DOS het dollarteken ($). Doordat het gekozen teken het einde van een string aanduidt, kan dat teken niet gebruikt worden in de string zelf.
C: 'a', 'a', 'p', 0 DOS: 'a', 'a', 'p', '$'
In de programmeertaal Pascal bevat een string een byte met het aantal karakters en daarna dat aantal karakters:
Pascal: 3, 'a', 'a', 'p'
Ook de representatie van een string kan verschillen. In C is een string eigenlijk een pointer naar een array van karakters die afgesloten wordt met een null-karakter.