Netencyclo, The wikipedia mirror - Nederlandstalige Encyclopedie : Slangen

- Slangen -

Slangen :

Slangen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Slangen (Serpentes) zijn een groep van aan hagedissen verwante reptielen, die behoren tot de orde schubreptielen (Squamata). Alle soorten worden gekenmerkt door een naar verhouding zeer lang en dun lichaam en het ontbreken van ledematen. Slangen zijn duidelijk te onderscheiden van alle andere dieren en de meeste andere reptielen als krokodilachtigen, brughagedissen en schildpadden. Met sommige groepen van hagedissen is het onderscheid niet zo duidelijk.

Slangen bewegen zich voort op de buik, de huid is bedekt met schubben. Andere typische uitwendige en inwendige kenmerken zijn respectievelijk het ontbreken van beweegbare oogleden en de aangepaste gepaarde organen als de longen en de nieren. Slangen komen vrijwel wereldwijd voor, het is een ecologisch zeer diverse groep die uiteenlopende habitats bewoont. Omdat ze koudbloedig zijn, leven de meeste soorten in warmere streken. Een aantal soorten is aangepast op het leven in extreem droge omgevingen, zoals woestijnen. Er zijn echter ook slangen die ondergronds leven en veel graven of juist sterk zijn aangepast op een leven in water zoals in rivieren en meren en zelfs in de zee. Er zijn ongeveer 2700 verschillende soorten slangen[1], waarvan ongeveer 10% giftig is en zo'n 250 soorten kunnen in principe een mens doden.

Slangen zijn door hun lang onbegrepen levenswijze en gedrag en hun vermeende, maar vaak overschatte giftigheid een symbool van verraderlijkheid, gemeenheid en dodelijkheid. In de Bijbel duikt de slang zelfs op als een vertegenwoordiger van de duivel in het verhaal van Adam en Eva.

Door onderzoek is over de meeste slangen veel bekend wat betreft levenswijze, biologie en voortplanting. Slangen werden ooit als zustergroep van de hagedissen beschouwd, ze stonden taxonomisch gezien naast elkaar. Tegenwoordig is bekend dat slangen zijn ontstaan uit hagedissen. Omdat slangen een groep van hagedissen zijn, is de groep van hagedissen parafyletisch als de slangen worden uitgesloten[1].

Inhoud

[bewerk] Naam

De wetenschappelijke naam Serpentes betekent kruipen, de Griekse naam Ophis (ὄφις) is een synoniem. Beide duiken op in verschillende termen of betekenissen. Voorbeelden zijn de verbastering serpent dat als scheldwoord gebruikt voor een verachtelijk iemand en de term ophifaag, die slangenetend betekent. De angst voor slangen die sommige mensen hebben, wordt ophidiofobie genoemd.

Andere dieren
Sommige dieren zijn om uiteenlopende redenen naar slangen vernoemd. Enkele hebben een zeer lange, slang-achtige nek, zoals de schildpadden uit de familie slangenhalsschildpadden (Chelidae) en de familie van slangenhalsvogels (Anhingidae). De slangekopvissen (familie Channidae) hebben een langwerpig lichaam en een kop die doet denken aan slangen. De slangenarend dankt zijn naam aan het menu dat voornamelijk uit slangen bestaat.

[bewerk] Ontstaan

Archaeophis proavus is een fossiele slang uit het Eoceen, en was een primitieve soort waarvan de tanden gegroefd waren en doen denken aan de dentitie van de moderne varanen [2]

Hoe de slangen zijn ontstaan is niet precies bekend, maar dat ze van de hagedissen afstammen wordt algemeen aangenomen. Slangen zijn ontstaan uit hagedissen die de poten gedurende de evolutie hebben verloren. Slechts enkele primitieve soorten (boa's) hebben nog resten van een bekkengordel en soms sporen die als kleine 'nageltjes' of kleine, flap-achtige uitsteekseltjes zichtbaar zijn. Dit zijn de restanten van het dijbeen (femur). Ook bij veel andere slangen is nog te zien dat er ooit poten aanwezig waren vanwege de daar wat afwijkende schubben. Sommige hagedissen, zoals hazelwormen en sommige skinken lijken op slangen omdat ze geen of zeer korte pootjes hebben. Slangen verschillen naast het ontbreken van poten van de hagedissen door de afwezigheid van een borstbeen, een heiligbeen en een schoudergordel. Daarnaast telt de wervelkolom vele honderden wervels en hebben de ogen in beginsel gefuseerde oogleden. Er is dus meer gebeurd met de slangen dan alleen het verdwijnen van de poten, maar wanneer of hoe precies is nog niet duidelijk.

Een theorie is dat de dat alle moderne slangen zijn ontstaan uit de voorouders van varaanachtigen, en door hun gravende levenswijze de poten hebben verloren, net als sommige hagedissen als skinken en hazelwormen[3]. De fossiele slang Najash rionegrina ondersteunt deze theorie, en is een van de oudste reptielen die tot de slangen wordt gerekend. Najash rionegrina leefde in het late Krijt zo'n 65 tot 100 miljoen jaar geleden. Deze soort leek uiterlijk al sterk op de moderne slangen en had ook voor slangen typische kenmerken van de schedel en de wervelkolom. Deze slang had echter twee buiten de ribbenkast uitstekende achterpoten en een bekkengordel, die bij de meeste huidige slangen zijn verdwenen[4]. De vondst van een fossiele slang met poten ontnam creationisten een belangrijk argument tegen de evolutietheorie.

Een andere theorie is dat slangen afstammen van grote, lange en in zee levende reptielen. Deze mariene slangen uit het Krijt hadden nog wel achterpoten maar leken uiterlijk al op slangen. De restanten van de poten verdwenen omdat deze bij het zwemmen niet meer werden gebruikt. Later gingen deze voorouders van de moderne slangen weer op het land leven waarna ze hun huidige vormenrijkdom ontwikkelden. De bouw van het oog van de moderne slangen verschilt wezenlijk met die van de hagedissen, en wijst op een ontwikkeling in de zee. Doordat in zee niet veel licht doordringt is het gezichtsvermogen gedegenereerd, de daarop volgende herkolonisatie van het land, waar een goed gezichtsvermogen een voordeel is, verklaart waarschijnlijk de totaal andere ontwikkeling van het oog van de twee verwante groepen. Andere aanwijzingen zijn de gefuseerde oogleden, die een slang een soort permanente duikbril geven, en het ontbreken van uitwendige ooropeningen die alleen maar zouden vollopen met zeewater, zie ook onder het kopje zintuigen.

Het grote probleem bij het achterhalen van de ontstaansgeschiedenis is het feit dat slangen een erg fragiel skelet hebben dat maar moeilijk fossiliseert, waardoor er meestal niets meer van overblijft. Hierdoor zijn er maar weinig fossielen aangetroffen die belangrijke informatie kunnen geven over de ontwikkeling van de slangen.

[bewerk] Verspreiding en habitat

Verspreidingskaart van de slangen op het land (zwart) en in de zee (blauw).

Slangen hebben zich over de gehele wereld verspreid, met uitzondering van enkele geïsoleerde gebieden, vooral eilanden als Ierland, IJsland en een aantal eilanden in de Grote Oceaan. Ook in het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika, op Antarctica en in uiterst noordelijk Europa en Azië en noordelijk Noord-Amerika, dicht bij de noordpool, komen geen slangen voor.

Slangen hebben zich aangepast op de meest uiteenlopende omgevingen, er zijn soorten die ondergronds leven, op de bodem, in bomen en zelfs in het water, zowel in zoet water (Agkistrodon, Natrix) als in de de zee (zeeslangen). Naast de strikt in water levende soorten kunnen vrijwel alle slangen uitstekend zwemmen en klimmen. De meeste slangen leven in begroeide gebieden zoals bossen tot meer open plekken als bergstreken en steppen. In tropische bossen komen meer boombewonende slangen voor, die overdag rusten in bomen en 's nachts op jacht gaan. In kale gebieden, zoals woestijnen, zijn slangen bodembewonend en graven zich vaak in.

[bewerk] In Europa

In Europa komen 38 verschillende soorten slangen voor, waarvan één boa en één wormslang. De gladde slangen zijn het best vertegenwoordigd met 24 soorten, die niet giftig zijn. Tenslotte leven er 12 soorten adders, de enige giftige slangen die in Europa voorkomen. Deze leven met name in het zuiden. Zie de lijst van slangen in Europa voor alle Europese soorten.

[bewerk] In het Nederlandse taalgebied

Zie ook het hoofdartikel Slangen in het Nederlandse taalgebied

In Suriname komen 74 soorten slangen voor waarvan 11 giftige soorten die behoren tot de adders en de koraalslangen. Op de Nederlandse Antillen leven acht soorten, waarvan 2 giftige soorten. In Nederland en België tenslotte komen drie soorten voor: de gewone adder (Vipera berus), de ringslang (Natrix natrix) en de gladde slang (Coronella austriaca). Van deze drie soorten is alleen de beet van de adder gevaarlijk, maar in de praktijk komt een adderbeet zelden tot niet voor.

[bewerk] Kenmerken

De anatomie van een slang:
1=slokdarm 2=luchtpijp 3=tracheale long 4=rudimentaire linkerlong 5=rechterlong 6=hart 7=lever 8=maag 9=luchtzak 10=galblaas 11=pancreas 12=milt 13=darmen 14=testikels 15=nieren

Slangen hebben een vrij uniforme bouw maar uiteenlopende specifieke kenmerken zoals lichaamsvorm, lengte en kleur van de huid. De zintuiglijke waarneming is sterk gespecialiseerd en wijkt af van die van de meeste dieren. De schubbenstructuur is een belangrijk determinatiekenmerk, slangen worden voornamelijk ingedeeld in groepen aan de hand van de bouw van de schedel en met name de vorm en positie van de giftanden.

[bewerk] Bouw en anatomie

Slangen hebben altijd dezelfde lichaamsvorm, maar verschillen wel iets in de bouw. Met name de grootte is variabel, sommige soorten blijven rond de 15 centimeter, er zijn ook slangen die meer dan 9 meter lang kunnen worden. Ook zijn er zowel relatief zeer lange en dunne slangen als slangen die niet zo lang worden maar zo dik zijn als een vuist. De dwarsdoorsnede varieert van rond tot ovaal of driehoekig, in water levende slangen hebben soms een kiel op de rug.

Slangen hebben een lang lichaam en vaak wordt verondersteld dat ze een lange staart hebben. In werkelijkheid klopt dit niet; de meeste soorten hebben juist een relatief korte staart. De staart van een slang begint bij de cloaca aan de buikzijde, de cloaca is vanwege de daar afwijkende schubbenstructuur meestal eenvoudig te herkennen. De staart van de slang is zeer beweeglijk, sommige soorten lokken prooien door de staartpunt als een worm heen en weer te kronkelen. De staartpunt is soms verhard, zoals bij de schildstaartslangen (Uropeltidae; uro betekent staart en pelte betekent schild of plaat). De reden hiervan is niet duidelijk. Ook de lanspuntslangen uit het geslacht Bothrops hebben een opvallende staartpunt, bij bedreiging tappen ze zeer snel met de staartpunt op de grond, wat een typisch geluid maakt dat dient om af te schrikken. De staartpunt van de lanspuntslangen wordt gezien als voorloper van de staart van de ratelslangen. Deze zijn bekend door de verhoornde, uit schijfjes bestaande staartpunt waarmee een kenmerkend ratelend geluid wordt geproduceerd bij verstoring.

Sommige slangen hebben afwijkende kenmerken, zoals de tentakelslang, die twee tentakel-achtige baarddraden heeft die dienen als tastzintuig. Cobra's hebben vaak typische flappen aan weerszijden van de kop die getoond worden bij verstoring. Enkele soorten hebben hoorn-achtige uitsteeksels op de kop, zoals de wipneusadder en de hoornadder.

De organen van slangen zijn net als het lichaam zeer langwerpig van vorm. Sommige gepaarde organen, zoals de nieren en de testikels, liggen niet naast elkaar maar in elkaars verlengde om de lichaamsruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Met name de spijsverteringsorganen beslaan bijna het gehele lichaam, het voedsel komt via de slokdarm in de maag, en begint daarna een lange reis door de darmen. Omdat slangen de prooi niet verkleinen door te kauwen maar in één keer doorslikken en vaak behaarde, gevederde of geschubde prooien eten, is de spijsvertering zeer goed ontwikkeld.

Een slang gebruikt bij de ademhaling maar één ontwikkelde long, dit is altijd de rechterlong. De linkerlong is sterk onderontwikkeld en ontbreekt bij een aantal soorten zelfs volledig. Ook deze aanpassing dient waarschijnlijk om ruimte te besparen en is een belangrijk verschil met de hagedissen, die altijd twee ontwikkelde longen hebben. Een aantal soorten slangen heeft zogenaamde tracheale longen, die zijn gelegen in de luchtpijp en bestaan uit zuurstofopnemend weefsel. De ademhaling geschiedt door de lichaamsspieren en de bewegingen van de ribben. Om te kunnen ademhalen tijdens het verzwelgen van de prooi, wat uren kan duren, loopt de luchtpijp van de slang als een buis door over de onderzijde van de bek en heeft een opening aan de voorzijde. Slangen hebben een luchtzak, deze speelt geen rol bij de ademhaling maar dient om de druk in het lichaam te regelen.

Bij de slangen ontbreekt een urineblaas[5], net als bij de krokodilachtigen maar in tegenstelling tot de meeste hagedissen en alle schildpadden. De afvalstoffen die door de nieren worden uitgescheiden worden dus niet opgeslagen, maar worden via de urineleider (ureter) direct naar de cloaca geleid.

[bewerk] Huid

De kopschubben van Amphiesma monticola:
1 = Postoculair (na het oog)
2 = Parietaal (aan de rand)
3 = Supraoculair (boven het oog)
4 = Frontaal (op het voorhoofd)
5 = Internasaal (tussen de neus)
6 = Rostraal (aan de bek)
7 = Ventraal (aan de buik)
8 = Temporaal (aan de zijkant)
9 = Supralabiaal (aan de bovenlip)
10 = Preoculair (voor het oog)
11 = Postnasaal (na de neus)
12 = Prenasaal (voor de neus)

Slangen hebben een schubbenhuid die er soms glibberig uitziet door een olie-achtige iriserende glans. De huid is echter altijd droog en is waterafstotend, slangen kunnen door hun schubbenhuid niet zweten[5]. De schubben zijn niet met elkaar verbonden maar liggen tussen rekbare stukjes huid zodat de huid kan uitzetten bij de voortbeweging, ademhaling, zwangerschap en met name het verzwelgen van een prooi.

De schubben zijn gelegen in de dunne epidermis of opperhuid, in de lager gelegen dermis of lederhuid bevinden zich de chromatoforen, de pigmenthoudende cellen die de huidskleur bepalen. De schubben bedekken het gehele lichaam, ze liggen naast elkaar en overlappen soms door kleine uitsteeksels. De vorm, grootte en functie van de schubben kan sterk afwijken; soorten die veel graven of zwemmen hebben platte, gladde schubben om minder last te ondervinden van de wrijving. Andere soorten hebben gekielde, Λ-vormige schubben om een betere grip te verkrijgen als ze in bomen klimmen. Tenslotte zijn er ook soorten met wrat-achtige bulterige schubben, zoals de Javaanse wrattenslang.

Een belangrijk verschil met de hagedissen zijn de schubben op de buik: bij slangen bestaan de buikschubben uit een enkele verticale rij schubben die de gehele breedte beslaan, bij hagedissen bestaan de buikschubben uit meerdere naast elkaar liggende rijen. Deze brede en dikke schubben bij slangen dienen niet alleen om de kwetsbare buik te beschermen, ze spelen ook een rol bij de voortbeweging.

De schubben van de huid zijn in regelmatige rijen gerangschikt, de schubben op de kop zijn groter, dikker en glanzender en vallen meer op. De schubbenpatronen op met name de kop van de meeste slangen zijn terug te voeren op een basisstructuur, die per familie iets verschilt.
Ook aan de kleurpatronen van de huid zijn de slangen te herkennen. Er is een grote variatie in kleuren en patronen, die echter per soort vrij sterk verschillen. Soorten die in bomen leven hebben vaak een groene kleur om niet op te vallen tussen de groene boombladeren, soorten die meer op de bodem leven hebben een kleur die ze doet wegvallen tegen de ondergrond. Bodembewonende soorten zijn daarom meestal bruin van kleur en hebben patronen die ze minder doen opvallen tussen de dode bladeren in de strooisellaag. Voorbeelden zijn veel adders die zigzagpatronen hebben waardoor ze minder opvallen tegen de achtergrond. Slangen die in woestijnen leven hebben vaak een zandkleurige huid, zodat ze niet opvallen als ze half ingegraven wachten op een prooi.

Net als een hagedis kruipt de slang op zijn buik, waardoor de schubben afslijten. Omdat de schubben zelf niet groeien moet een slang ze steeds vernieuwen, wat vervelling of ecdysis wordt genoemd. Als een slang vervelt wordt de huid in één keer afgeworpen, in tegenstelling tot alle andere reptielen waarvan de huid afbladdert (hagedissen) of de beenplaten één voor een loslaten (schildpadden, krokodilachtigen). Door te vervellen raakt de slang ook op de huid levende parasieten kwijt, zoals mijten en teken. Juvenielen groeien sneller en vervellen vaker dan oudere dieren, jongere exemplaren gaan vaak pas eten na de eerste vervelling. Ook de vervelling van volwassen slangen valt vaak samen met veranderingen in het gedrag, zoals het aanbreken van de voortplantingstijd of het afzetten van de eitjes[6]. De vervellingshuiden zijn een belangrijk hulpmiddel bij het onderzoek naar slangen. De huiden die worden aangetroffen zijn binnenste buiten gekeerd omdat de slang zijn huid als een sok afstroopt. Ook is de vervellingshuid ongeveer 10% langer dan de slang.

In tegenstelling tot een hagedis heeft een slang gefuseerde, doorzichtige oogleden. Er zijn ook uitzonderingen, de schildstaartslangen (familie Uropeltidae) zijn slangen met beweegbare oogleden. Als een slang vervelt, worden ook de oogleden vervangen, hierdoor wordt de 'bril' vernieuwd, die bij het graven bekrast wordt. Vlak voordat de slang vervelt krijgt het dier typisch blauwige ogen, doordat er een olie-achtige substantie tussen de oude en nieuwe huid wordt verspreid, ook de huidskleur wordt hierdoor grauwer. Het gezichtsvermogen is rond deze tijd erg slecht en de slang is alerter en trekt zich vaak terug. Veel soorten eten niet van vlak voor de vervelling tot de huid is afgeworpen.

Omdat een slang na een vervelling duidelijk heldere ogen heeft, de huidskleur feller en contrastrijker is en kleine wondjes zijn geheeld, lijkt het alsof de slang zichzelf heeft 'vernieuwd'. Al in de oudheid werd het verschijnsel beschreven en hierdoor is de slang een belangrijk symbool voor de geneeskunde.

De kleuren van slangen dienen verschillende doeleinden, de meeste soorten zijn goed gecamoufleerd en hebben bruine tot groene kleuren. Er zijn ook slangen die op zich erg afstekende kleuren hebben, maar desondanks volledig wegvallen tegen hun omgeving. Voorbeelden hiervan zijn de Bitis- soorten en de zwart-wit gebandeerde Vermicella annulata uit Australië. Sommige giftige soorten hebben juist felle kleuren zodat vijanden weten dat ze op moeten passen. Er zijn ook onschuldige soorten die gevaarlijke soorten in kleur en vorm imiteren, dit wordt mimicry genoemd. Dit verschijnsel gaat ver; er zijn zelfs hagedissen die slangen imiteren, zoals de zwartkopschubpoothagedis, die de Australische taipan (een zeer gevaarlijke gifslang) niet alleen in kleur maar ook in dreiggedrag imiteert. Sommige slangen kennen een sterk uiteenlopende kleurvariatie, variërend van 'normale' kleuren als bruin en groen tot rood, oranje en soms zelfs roze tot blauwe kleuren. Vaak zijn deze kleurvariaties in gevangenschap gekweekt, maar er zijn ook slangen met een natuurlijke variatie. Voorbeelden zijn veel grote soorten wurgslangen.

[bewerk] Zintuigen

De wipneusadder met uitgestoken gevorkte tong.

Het belangrijkste zintuiglijke orgaan van slangen is de reukzin. Slangen ruiken echter niet met hun neus, maar vangen geurdeeltjes op met de tong[5]. De slang 'kwispelt' met de tong om zo meer geurdeeltjes op te vangen, wat tongelen wordt genoemd. Daarna wordt de tong in de bek teruggetrokken en langs een holte in het verhemelte wordt gestreken. Dit wordt het orgaan van Jacobson genoemd, ook bij andere reptielen zoals skinken en varanen is dit orgaan sterk ontwikkeld.

Omdat de tong gespleten is kan de slang 'in stereo' ruiken en zo bepalen waar de geur het sterkst is, ofwel waar de geur vandaan komt en hierop anticiperen. Bij een 'aangename' geur van bijvoorbeeld een prooi of potientiele partner zal de slang het geurspoor volgen, een vijandelijke geur zal de slang alerter maken en doen vluchten. De tong wordt bij een gesloten bek naar buiten gestoken door een inkeping in de bovenkaak. In tegenstelling tot de meeste dieren wordt de tong dus niet gebruikt bij het doorslikken van voedsel of om te proeven, maar om te ruiken. De tong wordt tijdens het verzwelgen van de prooi ter bescherming in een dunne gleuf aan de onderzijde van de bek geborgen. De tong heeft ondanks de zwarte of soms felle rode of blauwe kleuren niet met giftigheid of het toedienen van gif te maken.

De visuele waarneming door de ogen speelt eveneens een rol bij de zintuiglijke waarneming, al kunnen slangen niet zo goed zien. Slangen hebben over het algemeen een visueel bereik van een paar meter en hebben moeite om stilstaande objecten te onderscheiden, bewegende voorwerpen kunnen ze beter zien. Visuele waarneming wordt voornamelijk gebruikt om andere slangen en bedreigingen te identificeren, en niet om prooien op te sporen. Er zijn enkele uitzonderingen die 's nachts jagen, deze zijn te herkennen aan de relatief grote ogen en de verticale pupil. Dagactieve soorten hebben in de regel kleinere ogen en een meer ronde pupil. Soorten die voornamelijk graven zijn soms zelfs vrijwel blind, maar soorten die in bomen leven hebben over het algemeen een beter zichtvermogen. Slechts enkele slangen hebben binoculair zicht, en kunnen beide ogen richten op hetzelfde object.

Bij vrijwel alle dieren zoals zoogdieren verandert tijdens het focussen van het oog de lens van vorm doordat deze wordt ingedrukt of ontspannen door contractie of verslapping van de spieren in de iris. De vervorming van de lens zorgt dus voor het verkrijgen van de juiste scherpte. Slangen daarentegen laten de lens naar voren en naar achteren bewegen ten opzichte van het netvlies. Slangen hebben geen beweeglijke oogleden, het onderste ooglid is vergroeid met het bovenste ooglid en is doorzichtig. Het onderste ooglid dient als een soort bril, het ooglid wordt vernieuwd na een vervelling omdat het net als de schubbenhuid mee-vervelt. Deze aanpassing van het oog vermindert de beweeglijkheid van het oog aanzienlijk, en zorgt voor de starre, 'hypnotiserende' blik van slangen. Biologen vermoeden dat deze afwijkende bouw van het oog te maken heeft met de prehistorische ontwikkeling van de slangen in zee[7]. Ook het ontbreken van uitwendige ooropeningen wordt toegeschreven aan de marine oorsprong van de slangen, die zich pas later op het land hebben aangepast en verspreid (zie ook het kopje Ontstaan).

Labiaalgroeven langs de bek van Morelia viridis
Groeforgaan van Bothriechis lateralis, zichtbaar als de opening tussen het neusgat en het oog.

Sommige slangen hebben een binnen de dierenwereld unieke aanpassing; ze kunnen infraroodstraling waarnemen. Er zijn twee groepen van slangen met een dergelijk zintuig, die echter niet aan elkaar verwant zijn. Het betreft de groefkopadders (onderfamilie Crotalinae) uit de familie adders en verschillende soorten uit de familie boa's (Boidae), zoals de soorten uit het geslacht Corallus. De groefkopadders hebben allemaal één groef schuin onder ieder neusgat, de boa's hebben een rij van groeven op de onderlip, van neuspunt tot achter het oog. Het wordt bij de groefkopadders wel groeforgaan genoemd, bij de boa-achtigen labiaalgroeven (labiaal betekent aan de lip). Met het orgaan kunnen prooidieren in totale duisternis makkelijk worden opgemerkt, wat een groot voordeel is voor nachtactieve soorten. Hoe goed gecamoufleerd een warmbloedig dier ook is, zijn uitgestraalde lichaamswarmte wordt gemakkelijk door de slang opgemerkt. De groefkopadders kunnen een temperatuursverschil waarnemen van 0,002° Celsius [8]. Slangen met dergelijke groeforganen jagen meestal op warmbloedige prooien, soorten die op reptielen of amfibieën jagen hebben niet zoveel aan warmtereceptoren, omdat deze prooidieren koudbloedig zijn hebben ze dezelfde temperatuur als hun omgeving.

Slangen hebben geen uitwendige ooropeningen, geen middenoor en ook een trommelvlies ontbreekt. Ze kunnen zeer slecht tot vrijwel niet horen, alleen geluiden met een lage frequentie kunnen worden waargenomen. Met het binnenoor kunnen trillingen in de bodem worden opgemerkt. Een slang kan ook aan de hand van de sterkte van de trillingen inschatten of een mogelijke vijand dichterbij komt, en zo snel wegvluchten voor de slang is opgemerkt door een vijand.

[bewerk] Skelet

Het skelet van een slang bestaat uit een schedel en een ruggengraat met zeer veel wervels; ongeveer 160 tot meer dan 400, afhankelijk van de soort. Behalve de eerste twee nekwervels (de atlas en de draaier) en de staartwervels, draagt iedere borstwervel steeds twee ribben, die zeer flexibel zijn en in verbinding staan met de buikschubben. Sommige slangen hebben een aantal gevorkte ribben. De ribbendragende wervels van slangen zijn de borstwervels, de staartwervels dragen geen ribben. Bij alle slangen ontbreekt het borstbeen en het heiligbeen, sommige slangen, zoals de boa's, hebben nog wel restanten van een bekken en soms kleine flap-achtige uitsteekseltjes wat ooit achterpoten waren, maar nooit functionele poten.

[bewerk] Voortbeweging

Dankzij het flexibele skelet zijn slangen erg lenig en kunnen zich op uiteenlopende manieren voortbewegen. Slangen bewegen zich voort op de buik met behulp van de buikspieren en de ribben. De methode van voortbeweging is afhankelijk van de ondergrond, zowel het substraat als de steilheid van het terrein spelen een rol. Er zijn grofweg vier manieren van voortbeweging:

Enkele slangen (geslacht Chrysopelea) zijn in staat om stukjes te zweven, door het lichaam sterk af te platten en een enigszins springveer-achtige lichaamshouding aan te nemen. Zo kunnen ze zich, zowel gebruik makend van de zwaartekracht als de luchtweerstand, gecontroleerd van boom naar boom laten zweven.

[bewerk] Schedel

De schedel van een Crotalus- soort.

Slangen hebben verschillende schedelvormen; soorten die grote prooien verzwelgen hebben een brede kop met veel kaakmassa en kaakspieren, gravende soorten bezitten een platte, wigvormige kop en puntige snuit. De schedel van slangen is bij de eerste groep duidelijk te onderscheiden van het lichaam, bij de laatste groep is een insnoering niet of nauwelijks zichtbaar.

De kaakdelen van slangen zijn aangepast, en kunnen extreem ver worden opengesperd zonder dat het dier daar last van heeft. Dit komt door de vorm en beweeglijkheid van het vierkantsbeen[5], maar ook de positie van het kaakgewricht speelt een grote rol. Doordat het scharnierpunt van de onder- en bovenkaak relatief ver naar achter is geplaatst, kan een slang zijn bek verder opendoen dan bijvoorbeeld een hagedis. Het vermogen de bek zeer ver open te sperren stelt de slang in staat om prooien te eten met een grotere diameter dan het lichaam. Een slang kan zijn kaak niet ontwrichten zoals wel eens wordt beweerd. Slangen die hun bek extreem ver kunnen opensperren zijn de eieretende slangen uit het geslacht Dasypeltis.

De linker- en rechterhelft van de onderkaak zijn niet met elkaar vergroeid maar met pezen verbonden, de onderkaak is hierdoor flexibeler. Hierdoor kan de slang bij grote prooien met zijn ene rij tanden de prooi verankeren in de bek, terwijl de andere rij eerst naar voren wordt geschoven en verderop in de prooi wordt gehaakt. Daarna laat de andere rij tanden los en herhaalt dit proces zich waardoor de prooi langzaam naar binnen wordt gewerkt.

Slangen hebben altijd ogen, al zijn deze bij sommige gravende soorten moeilijk te zien omdat ze erg klein zijn. Uitwendige ooropeningen ontbreken, wel is een inwendig deel van het oor aanwezig, zoals het oorbotje columella auris. De neusopeningen zijn aan de voorzijde gepositioneerd. De neusgaten staan in verbinding met holtes in de neus, maar het nasaal orgaan wordt niet gebruikt om te ruiken zoals bij zoogdieren: geuren worden waargenomen met de tong. Zie voor een beschrijving van de werking van ogen, gehoororganen en tong het kopje zintuigen.

[bewerk] Gebit

Slangen zijn te onderscheiden aan het type gebit, dat bestaat uit rijen vele kleine scherpe tanden om de prooi vast te houden, gifslangen hebben daarnaast giftanden. Slangen zijn acrodont; de tanden zijn bovenop de kaakbeenrand gepositioneerd. De tanden van alle slangen worden gedurende het gehele leven regelmatig vervangen. Het gebit van slangen is onder te verdelen in vier groepen; één voor de slangen zonder duidelijke giftanden (aglyf) en drie voor de slangen die wel giftanden dragen (opisthoglyf, proteroglyf en solenoglyf). Omdat de bouw van het gebit een zeer belangrijk onderscheid is, worden de verschillende families van slangen ingedeeld naar het gebitstype. De gebruikte wetenschappelijke termen zijn respectievelijk Aglypha, Opisthoglypha, Proteroglypha en Solenoglypha. De wetenschappelijke namen geven enigszins al aan hoe het zit want;

Aglyf wil zeggen dat een slang geen gespecialiseerde giftanden heeft. De meeste soorten slangen zijn aglyf en hebben geen giftanden, gifklieren of groeven waar gif doorheen stroomt. Voorbeelden zijn wurgslangen als pythons en boa's, die geen gif nodig hebben omdat ze de prooi wurgen. Alle slangen hebben massieve, naar achteren gerichte tanden om de prooi beter vast te kunnen houden bij het doorslikken. Met name soorten die amfibieën of vissen eten is dit handig omdat veel prooien slijm produceren als ze worden aangevallen. Giftige slangen zijn te verdelen in drie groepen;

Opisthoglyfe slangen hebben twee iets vergrote giftanden die meer achterin de bek staan. Een prooi zit al in de bek als deze er mee in aanraking komt en het gif heeft een werking die voornamelijk de spijsvertering ondersteunt. Slangen met dergelijke giftanden komen ook voor in families van over het algemeen niet-giftige slangen, zoals de familie gladde slangen (Colubridae). Sommige soorten kunnen echter, als men er al in slaagt om zich aan de achter in de bek staande giftanden te prikken, levensgevaarlijk zijn.

Proteroglyfe slangen hebben wel giftanden, maar deze zijn relatief kort en onbeweeglijk. De giftanden zijn gegroefd en staan voor in de bek in de bovenkaak. Het gif stroomt door de groef in de giftand naar de wond, om de efficiëntie te vergroten moet de slang kauwbewegingen maken. Slangen met dergelijke giftanden vindt men in de familie gifslangen (Elapidae), voorbeelden zijn cobra's, koraalslangen, mamba's en zeeslangen.

Solenoglyf zijn slangen die het best ontwikkelde gifapparaat hebben en bezitten juist heel grote giftanden die als ze niet worden gebruikt naar achteren tegen het gehemelte geklapt zitten. Door dit hefboom-achtige systeem worden de tanden automatisch uitgeklapt zodra de bek wordt geopend. Vanwege het vermogen de giftanden in te klappen zijn deze veel langer zodat het gif dieper in de prooi wordt geïnjecteerd, wat de efficiëntie sterk vergroot. Sommige soorten hebben giftanden van enkele centimeters lang. De tanden zijn hol en staan in directe verbinding met de gifklieren. Omdat solenoglyfe slangen niet eerst een kauwbeweging hoeven te maken maar het gif direct injecteren zijn veel soorten erg gevaarlijk. Voorbeelden van solenoglyfe slangen zijn de soorten uit de familie adders, met als bekende groepen de groefkopadders en de pofadders.

Sommige slangen hebben een sterk op de gegeten prooidieren aangepast gebit, een voorbeeld zijn soorten uit het geslacht Pareas (familie gladde slangen). Deze soorten leven uitsluitend van landbewonende slakken, die niet in hun geheel worden verzwolgen maar letterlijk uit hun huisje worden getrokken. De slangen hebben meer tanden in de rechterkaak dan in de linkerkaak, wat een voordeel zou zijn bij het eten van huisjesslakken omdat een slakkenhuisje altijd rechtsgewonden is. Met een (zeldzame) linksgewonden slak heeft de slang meer moeite[9].

[bewerk] Giftige slangen

Een adder bijt in een handschoen.

Zie ook het hoofdartikel Slangengif

Giftige slangen zijn geen aparte groep van slangen: soorten uit verschillende, niet-verwante families zijn giftig. De bekendste familie van giftige slangen is de adderfamilie (Viperidae), waartoe ook alle groefkopadders en ratelslangen behoren. Tot de familie Elapidae worden alle mambas, koraalslangen en cobra's gerekend. Van de gladde slangen (Colubridae) zijn wel enkele soorten giftig, maar ze zijn over het algemeen niet gevaarlijk voor de mens. De zeeslangen leven in kuststreken in zee, een groot aantal soorten is giftig.

Een groot aantal soorten giftige slangen is ongevaarlijk voor de mens. Dit komt omdat de tanden te ver achter in de bek staan, het gif te zwak is, er te weinig wordt toegediend of het gif simpelweg niet werkt op mensen. Het gif van een aantal soorten bevat stoffen die gebruikt worden in de geneeskunde om medicijnen van te maken. Een voorbeeld is het cardiotoxine sarafotoxine, afkomstig van soorten uit de relatief onbekende familie Atractaspididae[10].

Over giftige slangen en hun giftigheid bestaan veel fabeltjes, zoals het 'feit' dat alleen felgekleurde soorten gevaarlijk zouden zijn. Dit heeft echter geen enkele relatie met de werkelijkheid. Slechts een klein aantal soorten heeft felle kleuren ter afschrikking, maar dit geeft geen uitsluitsel omdat vele niet-giftige slangen deze duidelijk herkenbare kleuren en patronen van de giftige soorten imiteren om er zelf voordeel bij te hebben.
Ook de lengte van een slang heeft geen enkele invloed op de giftigheid: giftige slangen zijn direct uit het ei al even gevaarlijk als volwassen exemplaren. Over het algemeen zijn in Europa de giftigste slangen (adders) juist relatief klein, zo'n 70 tot 80 centimeter.

De meeste soorten giftige slangen, zoals alle adders en de mamba's, hebben geen schrikkleuren maar zijn juist goed gecamoufleerd en vallen volledig weg tegen de achtergrond waardoor ze moeilijk zijn op te merken.

De gifklieren van giftige slangen zijn ontstaan uit de speekselklieren. Het eigenlijke gif van slangen bestaat uit verschillende soorten giffen en de spijsvertering ondersteunende enzymen, zoals gif dat levend weefsel doodt (cytotoxine), gif wat op het hart werkt (cardiotoxine) of het zenuwstelsel platlegt (neurotoxine). Met name de laatste twee zijn gevaarlijk omdat het hart en/of de ademhaling kan stoppen. Cytotoxisch gif veroorzaakt weefselafsterving (necrose) zodat soms amputatie van een vinger of ledemaat noodzakelijk is. Naast gifstoffen bevat slangengif ook stoffen die de bloeddruk verlagen en stoffen die dienen voor de voorvertering van de prooi. Ook ATPases en proteases worden geïnjecteerd, deze laatste breken eiwitten af, ATPases verstoren de energiehuishouding.

In Nederland en België zijn slangenbeten zeldzaam, zeker van de enige giftige soort, de adder (Vipera berus). Dodelijke beten zijn in Nederland in de moderne geschiedenis niet bekend, ook niet van gedumpte of ontsnapte soorten. In tropische streken echter zijn giftige slangen soms heel algemeen, en is de kans dat men er een tegenkomt zeker aanwezig. Vrijwel alle slangen kennen dreiggedrag, er worden sissende geluiden gemaakt en schijnaanvallen uitgevoerd. Sommige giftige soorten hebben daarnaast een ratel (Crotalus) of schuren de zaag-achtige schubben tegen elkaar (Echis of zaagschubadders) waarbij een soortgelijk geluid wordt geproduceerd. Alleen bij deze soorten weet men zeker dat het gaat om een giftige slang.

[bewerk] Levenswijze

[bewerk] Voortplanting

Slangen zijn solitaire dieren die elkaar alleen in de voortplantingstijd dulden en soortgenoten opzoeken om te paren. Soorten in de tropen kunnen jaarlijks eieren produceren, soorten in meer gematigde streken paren om het jaar. Dit komt omdat zowel tijdens de dracht als de winterslaap niet gegeten wordt door het vrouwtje, die het daaropvolgende jaar gebruikt om op krachten te komen, een voorbeeld is de gladde slang. De eieren worden bij deze soorten in de late lente of in de zomer afgezet en komen in de vroege zomer uit. Hierdoor kunnen de juvenielen zich volvreten om hun eerste winterslaap te doorstaan.

De meeste slangen zijn eierleggend, maar niet allemaal; een aantal soorten is eierlevendbarend; de jongen komen direct ter wereld, zoals bij de boa's (Boidae). De pythons, die vroeger tot de boa's werden gerekend, zijn juist eierleggend. Pythons hebben als bijzonderheid dat de vrouwtjes de eieren 'uitbroeden' door zich eromheen te kronkelen en door te rillen met het lichaam de lichaamstemperatuur verhogen.

Er zijn zelfs soorten, bijvoorbeeld de Boa constrictor die een placenta met een dooier ontwikkelen, waardoor er sprake is van 'echte' levendbarendheid, een grote uitzondering binnen de reptielen. Het voordeel van (eier)levendbarendheid is dat de soort in koelere omgevingen kan overleven. Van de in Nederland en België levende slangen zijn dan ook twee van de drie soorten levendbarend, de adder en de gladde slang. De derde soort, de ringslang, gebruikt de warmte van broeihopen voor de ontwikkeling van de eieren.

Alle slangen kennen een inwendige bevruchting, en de mannetjes hebben een hemipenis. Dit is een gepaarde penis zodat het mannetje langs beide zijden contact kan maken. De hemipenis heeft vaak stekeltjes of doorn-achtige uitsteeksels om zich beter te hechten aan de cloaca van het vrouwtje. Door de aanwezigheid van de hemipenis heeft een mannetje een meer gewelfde cloaca. Vrouwtjes zijn over het algemeen langer en zwaarder bij de slangen.

[bewerk] Voedsel en jacht

Een anaconda (Eunectes murinus) eet een 50- kilo zware capibara (Hydrochoerus hydrochaeris). Geconserveerde exemplaren in Naturmuseum Senckenberg, Frankfort aan de Main.
Een anaconda (Eunectes murinus) eet een 50- kilo zware capibara (Hydrochoerus hydrochaeris). Geconserveerde exemplaren in Naturmuseum Senckenberg, Frankfort aan de Main.
De eieretende slang (Dasypeltis scabra) slikt een ei in één keer door.
De eieretende slang (Dasypeltis scabra) slikt een ei in één keer door.

Alle slangen zijn zonder uitzondering carnivoor, dus vleesetend. De meeste soorten blijven klein en eten kleinere prooien als amfibieën en ongewervelden, die levend worden opgeschrokt. Grotere prooien worden eerst gewurgd of gebeten en vergiftigd voor ze worden opgegeten. Kleine slangen zijn vaak insectivoor omdat ze uitsluitend insecten eten, of leven juist geheel van (naakt)slakken. Soorten als de hagedisslang en de katslang eten enkel en alleen hagedissen (saurivoor). Van gravende soorten is bekend dat ze soms leven van mieren en termieten. Van sommige soorten, waaronder wurgslangen, is beschreven dat ze wel eens bessen of vruchten eten. Grotere soorten eten ook grotere prooien als knaagdieren. Deze hebben vaak scherpe tanden en zullen zich verdedigen en de slang aanvreten. De meeste grotere slangen zijn daarom giftig, nadat de prooi gebeten is wacht de slang rustig af tot de prooi sterft en spoort het lijk op met de tong. Wurgslangen grijpen de prooi met de bek, die voorzien is van vele, naar achter gekromde tandjes, en wikkelen zich om de prooi tot deze gewurgd is. Een behaarde of geveerde prooi wordt eerst onderzocht op de groeirichting van de haren of veren. Een grote prooi kan vast kan komen te zitten in de keel zodat de slang stikt als de groeirichting van de beharing of bevedering verkeerd wordt ingeschat.

Slangen kunnen gedurende hun leven van voedselvoorkeur veranderen, dit komt veel voor bij grote soorten. De jonge slangen eten niet alleen kleinere exemplaren dan de volwassen slangen, maar soms ook totaal andere prooidieren. Veel grote wurgslangen bijvoorbeeld eten als juveniel met name hagedissen en grote insecten, pas later gaan ze op grotere dieren jagen als vogels of grote zoogdieren. Dit heeft als voordeel dat de jonge en oude exemplaren van dezelfde soort elkaar niet beconcurreren om het voedsel.

De meeste slangen zijn opportunistisch en pakken alles wat ze aankunnen en in de bek past, slechts een klein aantal soorten heeft zich gespecialiseerd in bepaalde prooidieren:

Vanwege hun opportunisme kiezen slangen soms erg grote prooien uit, er zijn exemplaren bekend die een jong nijlpaard en een volwassen krokodil hebben verzwolgen. Dergelijke prooien kunnen alleen worden doorgeslikt dankzij de zeer rekbare schedel en huid en de beweeglijke ribben van de slang. Daarnaast heeft het lichaam enkele andere aanpassingen, een voorbeeld is het hart. Het hart heeft geen vaste plaats maar is in een vlies is gepositioneerd zodat het kan meebewegen tijdens het doorslikken van een prooi zodat geen schade wordt toegebracht[5]. De verteringstijd is sterk afhankelijk van de omgevingstemperatuur, een slang kan er 10 tot 20 dagen over doen om een heel grote prooi te verteren[11]. Gedurende deze tijd moet de slang zijn prooi meezeulen, en is veel zwaarder dan normaal. Het eten van grote prooidieren heeft ook een voordeel; sommige grotere soorten kunnen na een grote maaltijd lange tijd zonder voedsel.

Slangen kunnen de prooi weer uitbraken als deze te veel last veroorzaakt. Als een slang net gegeten heeft en verstoord wordt kan de prooi worden uitgebraakt om zich efficiënter te kunnen verdedigen. Ook als de temperatuur te laag is om deze te verteren wordt de prooi uitgespuugd, de spijsvertering van een slang werkt pas boven een bepaalde temperatuur. Beneden deze temperatuur ligt de spijsvertering zo goed als stil en gaan eventuele verzwolgen prooidieren rotten, wat fataal kan zijn voor de slang. Bij een ideale temperatuur, die per soort afhankelijk is, wordt de prooi effectief verteerd inclusief botten, alleen haren en klauwen worden weer uitgescheiden. Tijdens het verteren van de prooi wordt de spijsvertering actief wat een aantal veranderingen in verschillende lichaamsprocessen veroorzaakt. Door de verzwolgen prooi verandert de positie van de ingewanden en ook de ademhaling, de gassamenstelling van het bloed en de lichaamstemperatuur veranderen. Ratelslangen bijvoorbeeld krijgen een 0,9 tot 1,2°C hogere lichaamstemperatuur als gevolg van de vertering [12].

Opmerkelijk is dat slangen zich soms fysiek aanpassen op hun prooi, een voorbeeld zijn de Australische soorten Pseudechis porphyriacus en Dendrelaphis punctulatus. Deze hebben sinds de komst van de giftige agapad (Chaunus marinus), die erg groot wordt, een kleinere bek ontwikkeld zodat de pad te groot is om op te eten en de slangen zich niet meer kunnen vergiftigen [13]. Slechts weinig soorten hebben zich aangepast op het eten van giftige prooidieren, een uitzondering is de nevelbosslang die onder andere pijlgifkikkers op het menu heeft staan.

[bewerk] Jacht

Een slang kan tijdens de jacht door zijn dunne, lenige en vaak gespierde lichaam vrijwel overal in, tussen en onder kruipen om op prooien te jagen. Wurgslangen leven meestal in bomen, ze zijn sterk gespierd om te klimmen en prooien te wurgen, de meeste slangen zijn bodembewonend. Veel soorten zijn dagactief, maar een groot aantal soorten is schemer- of nachtactief. Ook de jachtmethode verschilt: slangen kunnen stil in een hinderlaag liggen (adders) om bij een langslopende prooi plotseling toe te slaan of jagen actief op prooien. Dit hangt enigszins samen met de groep van slangen, veel adders zijn kleine, plompe dieren die op hun camouflage vertrouwen en de prooi afwachten, veel gladde slangen (bijvoorbeeld uit het geslacht Natrix) zijn lang, snel en zeer levendig: ze foerageren actief.

Sommige slangen lokken de prooi door de staartpunt als een worm heen en weer te kronkelen. Dit trekt insecteneters als muizen aan, die als ze dichtbij genoeg zijn razendsnel worden gegrepen. De staartpunt is bij deze slangen afwijkend van kleur, zoals roze, rood of geel. Een voorbeeld zijn de juveniele exemplaren van Agkistrodon- soorten, die deze gewoonte als ze volwassen worden verliezen. Het komt wel meer voor dat juvenielen een andere levenswijze hebben dan volwassen exemplaren, zoals de anaconda (Eunectes murinus), waarvan de jongere dieren in bomen leven en oudere slangen vanuit het water jagen. Dit heeft niet alleen te maken met het voorkomen van voedselconcurrentie, oudere anaconda's zijn simpelweg te zwaar om door takken gedragen te kunnen worden.

Afbeelding rechts: een jonge watermoccasinslang (Agkistrodon piscivorus) heeft een afwijkende kleur van de staartpunt (linksonder) waarmee insecteneters worden gelokt.

[bewerk] Vijanden en verdediging

Een Senegal-ijsvogel met een buitgemaakte ijzerslang.

Slangen hebben vele vijanden, zoals andere slangen, vogels, krokodilachtigen, zoogdieren en zelfs sommige vissen en amfibieën zijn een gevaar voor met name jonge slangen. Niet altijd omdat ze de slang opeten, sommige kikkers dragen een voor slangen dodelijk gif, zoals de pijlgifkikkers.

Zoogdieren die slangen eten zijn vooral marterachtigen als de wezel, ook mangoesten, jakhalzen, dassen, grote katachtigen, primaten en zwijnen eten slangen. Kleine gravende slangen worden ook belaagd door mollen en spitsmuizen. Hoefdieren vertrappen slangen om zichzelf en het kroost te beschermen. Reptielen als krokodillen en grote schildpadden grijpen slangen die het water betreden.

Naast de eerder genoemde koningsslangen die specifiek op slangen jagen zijn er ook andere soorten die wel eens slangen eten; de in Europa veel voorkomende gladde slang (Coronella austriaca) is een geduchte slangenjager. Vogels die slangen eten zijn meestal grotere roofvogels, ook sommige uilen jagen actief op slangen. Een voorbeeld van een soort die zich zo sterk heeft gespecialiseerd in het vangen van slangen dat de vogel ernaar vernoemd is, is de slangenarend.

De belangrijkste vijand is de mens, die aanzienlijke delen van het leefgebied van slangen aantast. Jaarlijks worden grote aantallen slangen gedood omdat ze gevaarlijk zouden zijn en worden daarnaast massaal verzameld voor de handel in exotische dieren.

[bewerk] Verdediging

De diamantratelslang heeft een ratel aan de staartpunt.
Een boze watermoccasinslang laat de witte binnenzijde van de bek zien.

Sommige kleinere slangen kennen geen enkele vorm van verdediging en zijn volkomen weerloos, maar de meeste slangen zijn in staat zich zeer effectief te verdedigen. De voornaamste verdediging bestaat uit vluchten, bluffen of dreigen, veel slangen maken eerst waarschuwende sissende geluiden en pas in het nauw gedreven zal een slang bijten. De giftige soorten kunnen hierbij een gif injecteren dat vergiftiging van weefsels of verlamming van het zenuwstelsel veroorzaakt. Zie voor de giftige soorten, hun gifstoffen en de werking daarvan het kopje giftige slangen. De beet van niet-giftige slangen kan echter ook tot verwondingen leiden door de zeer sterke lichaams- en kaakspieren en de lange rijen naar achteren gekromde tandjes, die vlijmscherp zijn om prooien te verankeren in de bek. Voordat een slang bijt, zal deze proberen om een confrontatie te voorkomen, het is zelfs zo dat de gevaarlijkste soorten de meest ontwikkelde manieren hebben om vijanden te waarschuwen. Een bekend voorbeeld zijn de ratelslangen met hun uit schijfjes bestaande staartpunt. De sterk aan ratelslangen verwante lanspuntslangen (Bothrops) tappen met hun verharde staartpunt tegen de grond bij irritatie. De niet-verwante, zeer giftige zaagschubadders uit het geslacht Echis schuren de van richeltjes voorziene flankschubben tegen elkaar, wat een kenmerkend, ratelend geluid veroorzaakt.

De meeste slangen zullen een aanval proberen te vermijden, grotere soorten zijn over het algemeen sneller en zullen wegvluchten, kleinere slangen vertrouwen vaak op hun camouflagekleur. Sommige soorten houden zich schijndood door op de rug te gaan liggen, de tong half uit de bek te laten hangen en roerloos te blijven liggen. Een aantal soorten scheidt een smerig goedje af uit klieren bij de anus. Veel slangen laten als ze worden opgepakt hun waterige ontlasting lopen.

De meeste slangen vertonen om een directe confrontatie te voorkomen een dreighouding waarbij ze zich oprichten en sissende geluiden worden gemaakt om imponeren. De moccasinslang heeft een opvallend witte binnenzijde van de bek, en toont deze bij bedreiging als waarschuwing, de Engelse naam van deze soort is 'cotton-mouth' of katoenbek.

Veel slangen voeren schijnaanvallen uit, waarbij snel uitgehaald wordt maar de bek gesloten blijft en niet wordt gebeten. Ook gifslangen proberen zo een beet te voorkomen om hun gif te sparen. Als de slang daadwerkelijk bijt, zal deze geen bijtende, maar een meer slaande beweging maken met de kop. Hierdoor dringen de giftanden sneller en dieper het slachtoffer binnen.

Sommige slangen hebben een aparte manier om hun boosheid te uiten: de roodbuikslang (Storeria occipitomaculata) heeft de gewoonte om bij bedreiging de bovenlip op te rollen, wat een zeer opmerkelijk gezicht is omdat het doet denken aan een boze hond.

[bewerk] Thermoregulatie

Een thermografische afbeelding van een slang die een muis eet. Omdat de muis warmbloedig is, straalt het lichaam meer warmte uit dan de koudbloedige slang wat het warmteverschil (op de afbeelding is warmte omgezet naar kleuren) verklaart.

Slangen zijn net als andere reptielen koudbloedig, meer specifiek ectotherm, dit wil zeggen dat slangen zelf geen warmte kunnen opwekken zoals warmbloedige dieren. Het lange dunne lichaam heeft als voordeel dat een slang sneller op kan warmen en af kan koelen, het regelen van de lichaamstemperatuur wordt thermoregulatie genoemd. Veel slangen nemen graag een zonnebad, dit bevordert voornamelijk de spijsvertering maar versnelt ook de motoriek. Als het te heet wordt, wordt de schaduw of het water opgezocht om verkoeling te zoeken. Vanwege de schubbenhuid kan een slang niet zweten om af te koelen.

Omdat ze de lichaamstemperatuur niet kunnen regelen, komen slangen niet voor in koude gebieden, dit heeft te maken met de warmtebehoefte van de eieren en het spijsverteringsstelsel. Als het kouder is ligt de spijsvertering stil en eventuele prooien in de maag zullen gaan rotten. In landen waar het in de winter te koud is om voedsel te zoeken houden slangen daarom een winterslaap. Slangen die veel in het water leven, zijn afhankelijk van de watertemperatuur. Dit geldt met name voor de zeeslangen, die zelden uit het water komen. Zeeslangen leven daarom alleen in warmere wateren waar de temperatuur hoog genoeg is om zich te kunnen handhaven. Dat de watertemperatuur een grote rol speelt is goed te zien bij de waterminnende soorten uit het geslacht Natrix, waarvan de soorten in Europa voorkomen. De ringslang (Natrix natrix) leeft voornamelijk van kikkers die langs de oever worden gevangen. De dobbelsteenslang (Natrix tessellata) leeft meer van vissen die in het water worden gevangen. De dobbelsteenslang is dus sterker afhankelijk van een hogere watertemperatuur en vanwege zijn voedsel ligt het verspreidingsgebied van de dobbelsteenslang zuidelijker dan dat van de ringslang.

Alleen de pythons kunnen enigszins warmte opwekken, maar dit komt alleen voor bij de vrouwtjes, die het lichaam om de eieren wikkelen en door spiercontracties ('rillen') de lichaamstemperatuur te verhogen wat de ontwikkeling van de eieren versnelt.

[bewerk] Gedrag

Alle slangen zijn solitaire dieren die behalve in de paartijd alleen leven, een paar uitzonderingen zijn er wel. Van een aantal soorten is bekend dat de slangen in groepen voorkomen maar deze zijn dan te vinden rond een grote voedselbron, zoals een poel waar veel kikkers leven die door de slangen worden gegeten. Slangen die in een winterslaap gaan, zoeken een geschikte overwinteringsplaats uit en vaak worden meerdere exemplaren aangetroffen in dezelfde schuilplaats, een voorbeeld is de ringslang (Natrix natrix). Het gezamenlijk houden van een winterslaap beperkt tevens warmteverlies. De zwangere vrouwtjes van sommige soorten verstoppen zich soms met meerdere exemplaren in dezelfde schuilplaats.

In de paartijd vechten de mannetjes soms door elkaar met de staart te omstrengelen en uitvallen te maken met de kop. Vooral de gevechten van de adders (Viperidae) zijn spectaculair om te zien[14], maar lang niet alle slangen vechten in de paartijd.

[bewerk] Slangen en de mens

Afbeeldingen
Slangen in de kunst
Afbeeldingen op Commons
Slangen in de kunst
Afbeeldingen op Commons
Slangen in wapenschilden
Afbeeldingen op Commons
Slangen in de