| Giovanni Battista Montini 26 september 1897 – 6 augustus 1978 |
||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
Paulus VI in 1972 |
||||||
| Paus | ||||||
|
Paulus VI, geboren als Giovanni Battista Montini (Concesio bij Brescia, 26 september 1897 – Castel Gandolfo, 6 augustus 1978) was paus van 1963 tot zijn dood. Hij zette het Tweede Vaticaans Concilie voort, dat door zijn voorganger, Johannes XXIII, begonnen was. Hij was de eerste paus die per vliegtuig rond de wereld reisde. Later zou paus Johannes Paulus II (paus van 1978-2005) deze vorm van apostolaat vertienvoudigen.
Inhoud |
Giovanni Battista Montini werd geboren als zoon van een jurist en politicus. Wegens gezondheidsproblemen moest hij zijn priesteropleiding thuis volgen. Op 29 mei 1920 werd hij tot priester gewijd en vanaf 1922 was hij verbonden aan het Vaticaanse staatssecretariaat, waar hij vanaf 1937 de rechterhand werd van de staatssecretaris Eugenio Pacelli, de latere paus Pius XII.
In 1954 benoemde Pius XII Montini tot aartsbisschop van Milaan. Die benoeming werd aangemerkt als een wegpromoveren[bron?]. In Milaan ontpopte Montini zich als een bisschop die zich het lot van de arbeiders aantrok.
Nadat het conclaaf van 1958 Angelo Giuseppe Roncalli tot paus gekozen had (paus Johannes XXIII), creëerde deze Giovanni Battista Montini op 15 december 1958 kardinaal-priester. Daarna ging het snel: bij het net afgekondigde Vaticaans Concilie werd Montini lid van het centraal comité. Johannes XXIII zou maar één zitting van het concilie overleven.
Natdat Johannes XXIII gestorven was, koos het inmiddels flink uitgebreide aantal kardinalen Montini na een conclaaf van nog geen twee dagen op 21 juni 1963 tot zijn opvolger. Met de keuze van de naam "Paulus" gaf hij een teken dat hij de "moderne heidenen" wilde bereiken, zoals Paulus dat ook had gedaan[bron?]. Als opvolger van de populaire Johannes XXIII wachtte Paulus VI geen gemakkelijke opdracht[bron?]. Als zijn voornaamste taken zag hij de voltooiing van het concilie en de doorvoering van het aggiornamento (de aanpassing van het kerkelijke leven aan de eigentijdse realiteit)[bron?]. Op die manier kreeg de nieuwe paus af te rekenen met opposanten die de progressieve koers van het concilie wilden ombuigen) en zij die de conciliebesluiten juist niet ver genoeg vonden gaan. Reeds tijdens het concilie bleek het streven van Paulus VI erop gericht te zijn desnoods tot het uiterste te gaan om standpunten te verzoenen. Bij de realisering van die conciliebesluiten stuitte hij echter op grote moeilijkheden.
Paulus VI schreef zeven encyclieken. Zijn eerste encyclieken, Ecclesiam suam (6 augustus 1964)[1] en Mysterium fidei (3 september 1965)[2], stonden in het teken van de concilieproblematiek.
De Mariaverering was het onderwerp van twee van zijn encyclieken: Mense Maio (29 april 1965, over de meimaand en het bidden van de rozenkrans) en Christi Matri Rosarii (15 september 1966, over speciale gebeden ter ere van de Moeder Gods tijdens de maand oktober).
In de encycliek Populorum progressio (26 maart 1967)[3] vroeg hij aandacht voor de kloof tussen arme en rijke landen, betreurde deze en herinnerde de lezers eraan dat de goederen van deze wereld voor iedereen bedoeld zijn. In twee kwesties, het priestercelibaat en de geboorteregeling, handhaafde hij het standpunt van zijn voorgangers in de encyclieken Sacerdotalis caelibatus (24 juni 1967)[4], respectievelijk Humanae Vitae (25 juli 1968)[5]. Beide encyclieken brachten binnen de Kerk heftige discussies op gang en veroorzaakten, vooral in Noord-Amerika en Europa, een storm van teleurstelling en protest maar ook waardering.
In het laatste jaar van zijn leven werd Paulus VI zwaar geschokt door de moord (9 mei 1978) op zijn vriend Aldo Moro, leider van de Italiaanse christendemocraten. Zijn voorgaan in de uitvaart van Moro was zijn laatste openbare optreden: hij bezweek twee maanden later aan een hartaanval op het pauselijk buitenverblijf van Castel Gandolfo.
Op leerstellig gebied demonstreerde Paulus VI een grote bezorgdheid voor het pauselijk gezag. Daarbuiten toonde hij een open en vooruitstrevende houding op sociaal gebied, en in kwesties betreffende de wereldvrede.
Veel publiciteit kregen de reizen van Paulus VI: onder meer naar Israël (1964), de Verenigde Naties (New York, 1965), de Wereldraad van Kerken (Genève, 1969) en naar het Verre Oosten en Oceanië (1970). Tijdens die laatste reis ontsnapte hij in Manilla, op de Filipijnen, aan een moordaanslag.
Voor de oecumenische beweging verwierf hij grote verdiensten door zijn toenadering tot de orthodoxe patriarch Athenagoras I (1964 en 1967) en tot de anglicaanse aartsbisschop Ramsey (1966). Hij verleende de status van Kerklerares aan Theresia van Avila en Catharina van Siëna, de eerste twee vrouwen ooit die deze erkenning kregen. Hij stelde het functionele ontslag voor priesters en bisschoppen vast op 75 jaar, en bepaalde dat kardinalen ouder dan 80 niet meer mochten participeren in het werk van de Romeinse Curie, noch in de pausverkiezingen (conclaven). Voor de Nederlandse kerkprovincie waren de bisschopsbenoemingen van Adrianus Johannes Simonis voor Rotterdam in 1970 en Joannes Matthijs Gijsen voor Bisdom Roermond in 1972 van belang. Zijn voorzichtige toenadering tot communistische regeringen, zijn aanhankelijkheid aan de Verenigde Naties, zijn oecumenisch streven en de invoering van een nieuwe liturgie door het nieuwe Romeins missaal (Novus Ordo Missae, 1969-1970) hem de bijnaam van "rode", respectievelijk "modernistische" paus[bron?].
Het publiekelijk afleggen van de pauselijke tiara door Paulus VI werd door vele katholieken als een grote schok ervaren. Dit gebaar was aanvankelijk omstreden, maar geen van de opvolgers van Paulus VI zou zich nog laten kronen en de discussie erover verstomde. In 2005 verving paus Benedictus XVI de tiara, die tot dan toe het pauselijk wapenschild had gesierd, door de bisschopsmijter.
De verscherpte polarisatie binnen de Katholieke Kerk is een zwaar kruis geweest voor deze veelzijdige, tussen conservatisme en progressivisme "verscheurde" paus[bron?].
Vele auteurs[6] hebben geschreven over de hulp die (instellingen van) het Vaticaan na de oorlog hebben gegeven aan Duitse nazi's en Italiaanse fascisten, zodat ze voor de vervolging konden vluchten naar onder meer Zuid-Amerikaanse landen. Ook Giovanni Montini, toentertijd ondersecretaris, wordt met deze hulp in verband gebracht.
In 1999 daagden de overlevenden en familieleden van slachtoffers van de Kroatische Ustasa-terreur (joden, Serven en Roma) onder meer de Vaticaanse Bank voor de rechtbank voor teruggave van oorlogsbuit[7]. Na de oorlog zouden zo'n tien vrachtwagenladingen met kunst, goud, zilver en juwelen zijn afgeleverd bij Krunoslav Draganovic, de Kroatische ambassadeur voor het Vaticaan. Dit vermogen werd later door Ustase-kopstukken gebruikt om te vluchten, waaronder Ante Pavelic.
Draganovic rapporteerde indertijd direct aan Montini. Uit een getuigeverklaring van William Gowen zou blijken, dat deze oorlogsbuit werd witgewassen met instemming van Montini. Gowen was in die jaren 'special agent' in het Amerikaanse leger, die met zijn dienst belast was met de opsporing van oorlogsmisdadigers ('Operation Circle'). Volgens Gowen zou Montini op een gegeven moment hebben gehoord van deze activiteiten (mogelijk door O.S.S.-hoofd James Angleton) en daarover hebben geklaagd bij zijn superieuren. Gowen kreeg te horen, dat hij de immuniteit van kerkgebouwen schond.
De advocaten van de Vaticaanse Bank stellen, dat er niets gebeurd is, dat strijdig was met het internationale recht. De zaak loopt nog steeds.
Paulus VI overleed aan de gevolgen van een hartaanval, die hij kreeg tijdens de Mis ter gelegenheid van de Feestdag van de Transfiguratie van Onze Heer, in de kapel van het Pauselijk buitenverblijf in Castel Gandolfo.
Petrus • Linus • Anacletus I • Clemens I • Evaristus • Alexander I • Sixtus I • Telesforus • Hyginus • Pius I • Anicetus • Soter • Eleuterus • Victor I • Zefyrinus • Calixtus I • Urbanus I • Pontianus • Anterus • Fabianus • Cornelius • Lucius I • Stefanus I • Sixtus II • Dionysius • Felix I • Eutychianus • Cajus • Marcellinus • Marcellus I • Eusebius • Miltiades • Silvester I • Marcus • Julius I • Liberius • Damasus I • Siricius • Anastasius I • Innocentius I • Zosimus • Bonifatius I • Celestinus I • Sixtus III • Leo I • Hilarius • Simplicius • Felix II (III) • Gelasius I • Anastasius II • Symmachus • Hormisdas • Johannes I • Felix III (IV) • Bonifatius II • Johannes II • Agapitus I • Silverius • Vigilius • Pelagius I • Johannes III • Benedictus I • Pelagius II • Gregorius I • Sabinianus • Bonifatius III • Bonifatius IV • Adeodatus I • Bonifatius V • Honorius I • Severinus • Johannes IV • Theodorus I • Martinus I • Eugenius I • Vitalianus • Adeodatus II • Donus • Agatho • Leo II • Benedictus II • Johannes V • Conon • Sergius I • Johannes VI • Johannes VII • Sisinnius • Constantinus I • Gregorius II • Gregorius III • Zacharias • Paulus I • Stefanus III (IV) • Adrianus I • Leo III • Stefanus IV (V) • Paschalis I • Eugenius II • Valentinus • Gregorius IV • Sergius II • Leo IV • Benedictus III • Nicolaas I • Adrianus II • Johannes VIII • Marinus I • Adrianus III • Stefanus V (VI) • Formosus • Bonifatius VI • Stefanus VI (VII) • Romanus • Theodorus II • Johannes IX • Benedictus IV • Leo V • Sergius III • Anastasius III • Lando • Johannes X • Leo VI • Stefanus VII (VIII) • Johannes XI • Leo VII • Stefanus VIII (IX) • Marinus II • Agapitus II • Johannes XII • Leo VIII • Benedictus V • Johannes XIII • Benedictus VI • Benedictus VII • Johannes XIV • Johannes XV • Gregorius V • Silvester II • Johannes XVII • Johannes XVIII • Sergius IV • Benedictus VIII • Johannes XIX • Benedictus IX • Silvester III • Benedictus IX • Gregorius VI • Clemens II • Benedictus IX • Damasus II • Leo IX • Victor II • Stefanus IX (X) • Nicolaas II • Alexander II • Gregorius VII • Victor III • Urbanus II • Paschalis II • Gelasius II • Calixtus II • Honorius II • Innocentius II • Celestinus II • Lucius II • Eugenius III • Anastasius IV • Adrianus IV • Alexander III • Lucius III • Urbanus III • Gregorius VIII • Clemens III • Celestinus III • Innocentius III • Honorius III • Gregorius IX • Celestinus IV • Innocentius IV • Alexander IV • Urbanus IV • Clemens IV • Gregorius X • Innocentius V • Adrianus V • Johannes XXI • Nicolaas III • Martinus IV • Honorius IV • Nicolaas IV • Celestinus V • Bonifatius VIII • Benedictus XI • Clemens V • Johannes XXII • Benedictus XII • Clemens VI • Innocentius VI • Urbanus V • Gregorius XI • Urbanus VI • Bonifatius IX • Innocentius VII • Gregorius XII • Martinus V • Eugenius IV • Nicolaas V • Calixtus III • Pius II • Paulus II • Sixtus IV • Innocentius VIII • Alexander VI • Pius III • Julius II • Leo X • Adrianus VI • Clemens VII • Paulus III • Julius III • Marcellus II • Paulus IV • Pius IV • Pius V • Gregorius XIII • Sixtus V • Urbanus VII • Gregorius XIV • Innocentius IX • Clemens VIII • Leo XI • Paulus V • Gregorius XV • Urbanus VIII • Innocentius X • Alexander VII • Clemens IX • Clemens X • Innocentius XI • Alexander VIII • Innocentius XII • Clemens XI • Innocentius XIII • Benedictus XIII • Clemens XII • Benedictus XIV • Clemens XIII • Clemens XIV • Pius VI • Pius VII • Leo XII • Pius VIII • Gregorius XVI • Pius IX • Leo XIII • Pius X • Benedictus XV • Pius XI • Pius XII • Johannes XXIII • Paulus VI • Johannes Paulus I • Johannes Paulus II • Benedictus XVI
Tegenpausen
Hippolytus • Novatianus • Felix II • Ursinus • Eulalius • Laurentius • Dioscurus • Eugenius I • Theodorus II • Paschalis I • Constantinus II • Filippus • Johannes VIII • Anastasius III • Sergius III • Christoforus • Bonifatius VII • Johannes XVI • Gregorius VI • Benedictus X • Honorius II • Clemens III • Theodoricus • Albertus • Silvester IV • Gregorius VIII • Celestinus II • Anacletus II • Victor IV (Gregorius) • Victor IV (Octavianus) • Paschalis III • Calixtus III • Innocentius III • Nicolaas V • Clemens VII • Benedictus XIII • Alexander V • Johannes XXIII • Clemens VIII • Benedictus XIV • Felix V
Geschrapt
Stefanus (II)
| Referenties: |
|