Outils :Vous avez un site web ? Un blog ?
Technorati reactions rencontre |
Kennistheorie of epistemologie (Grieks: Επιστήμη, epistèmè: kennis en λόγος, logos: leer), ook wel kentheorie of kennisleer genaamd, is de tak van de filosofie die de aard, oorsprong en reikwijdte van kennis en het weten onderzoekt. Centraal bij epistemologie staat de vraag die de mens zich stelt: "Wat kan ik weten?"
Inhoud |
Kennistheorie is binnen de filosofie een zeer algemene leer, die voor veel specialismen een onmisbare basis vormt. Verwante filosofische specialismen zijn onder meer wetenschapsfilosofie, logica, ontologie en fenomenologie.
In meer specifieke zin wordt kennistheorie toegepast op wetenschappen, en de kennisleer wordt daarmee een vrij technisch-filosofische beschouwing van de wetenschappelijke methodes die gebruikt worden.
De geschiedenis van de filosofie overziend, is de epistemologie een van de meest onderzochte en bediscussieerde onderwerpen. De discussie concentreert zich op het analyseren van de aard van de kennis, en hoe deze laatste zich verhoudt tot begrippen als waarheid en geloof. Veel van deze discussie gaat over rechtvaardiging: kennistheoretici analyseren de rechtvaardigingsgronden van kennisaanspraken, oftewel de gronden waarop men kan beweren iets te weten. Heel in het kort probeert de kennistheorie de vraag "Hoe weten we dat wat we weten?" te beantwoorden.
Vooraanstaande filosofen hebben meestal ook een eigen kennistheorie naar voren gebracht als aanvulling of basis van hun filosofie.
In de kennistheorie volgens den Hertog (1995) wordt ingegaan op twee hoofdvragen:
Vaak gaan wetenschappers er gewoon vanuit dat die werkelijkheid bestaat en met waarnemingen en logische redeneringen te doorgronden is. Dit is een opvatting uit het logisch positivisme.
Opponerende stromingen, zoals constructivisme, interactionisme of subjectivisme, schenken doorgaans veel meer aandacht aan de kennistheoretische vragen. De werkelijkheid is in hun ogen een subjectief bouwsel, een "constructie" of een beeld dat door individuen of groepen mensen, de "subjecten", wordt gevormd. Zij zien het als de taak van de onderzoeker, om van deze subjectieve werkelijkheid een nieuw beeld te bouwen.[1]
In een late dialoog, de Theaetetus, probeert Plato het begrip wetenschappelijke kennis te definiëren. Hij omschrijft kennis (epistêmê) als alêthês doxa meta logou: “een ware mening met een reden, volgens een wetmatigheid” (Plato, Theaetetus, 201C-D), "een waarachtig gegrond inzicht". Het woord doxa kan ook “oordeel” of “overtuiging” betekenen, maar deze betekenissen draaien rond hetzelfde begrip. Logos betekent in de eerste plaats “woord”, maar ook “wetmatigheid, rekenschap, ratio, rede en reden”. Wanneer je een mening hebt over de wereld, dan staat deze los van de wereld zelf. Je mening is slechts een gedachte over de wereld, je gelooft iets met betrekking tot de wereld zonder je af te vragen of er overeenstemming is tussen de gedachte wereld en de werkelijke wereld. Deze overeenstemming tussen gedachte wereld en werkelijke wereld, tussen denken (of spreken) en werkelijkheid wordt waarheid genoemd. Maar kun je een ware mening kennis noemen? Neen, zegt Plato, want je kunt ook bij toeval een ware mening hebben, door een gelukkige gissing de waarheid denken. Vandaar de toevoeging “met reden”. Kennis moet zich kunnen verantwoorden, moet aangeven volgens welke redenering men gekomen is tot de ware mening.
Aristoteles geeft in het eerste hoofdstuk van zijn Metaphysica (A1-2) een interessante analyse van kennis. Volgens hem verlangt de mens van nature naar kennis, hetgeen men kan opmaken uit het plezier dat hij ontleent aan zintuiglijke waarneming (aisthêsis), vooral aan het zien van de dingen. Uit de waarneming ontstaat geheugen (mnêmê), een soort innerlijk nabeeld dat door herinnering is op te roepen. Vele waarnemingen en de herinnering daarvan leiden tot ervaring (empeiria). Vakkundigheid of “kunst” (technê) komt voort uit veel ervaring van gelijksoortige situaties; een voorbeeld dat Aristoteles uitwerkt is de geneeskunde. Technê is volgens hem altijd praktisch of productief. Veel vaklui doen hun werk zonder precies te weten wat zij doen, routinematig, maar de meesters weten wél wat zij doen en zijn om die reden in staat hun vakkennis over te dragen. Wetenschappelijke kennis (epistêmê) is niet productief, maar altijd theoretisch: epistêmê is weten om het weten en nooit gericht op praktisch nut of genot. Zo is in Egypte de wiskunde ontstaan omdat de tempelpriesters voldoende vrije tijd hadden en zich niet hoefden bezig houden met het voorzien in hun levensbehoeften. Aristoteles geeft geen definitie van kennis, maar herleidt haar tot de eigenschap nieuws- of weetgierigheid.
Volgens het empirisme komen slechts gevoel of zintuiglijkheid en verstand in aanmerking als kennisbronnen van de mens. Deze opvatting stelt dus dat al onze kennis afkomstig is uit zintuiglijke ervaring (empirie). De tegenhanger van empirisme is rationalisme, dat gelooft dat het verstand (ratio) de uiteindelijke bron van onze kennis is.
Criticisme, genoemd naar het hoofdwerk van Immanuel Kant, De kritiek van de zuivere rede (1781), slaat een brug tussen empirisme en rationalisme. Hoe de werkelijkheid is weten wij niet en kunnen we niet weten. Zij verschijnt ons (empirisch) via de zintuigen, maar gefilterd en aangepast. Wij voegen aan de dingen de aspecten ruimte en tijd toe, zonder te weten of ruimte en tijd wel eigenschappen van de dingen zijn. Daarna gaat onze rede met de zintuiglijk verkregen informatie (rationeel) aan de slag. Ook de ratio voegt iets aan deze informatie toe, omdat zij werkt volgens wat Kant oordeelsvormen noemt. Voorbeelden van oordeelsvormen zijn eenheid, veelheid, realiteit, ontkenning, oorzaak-gevolg, noodzakelijkheid-toevalligheid enzovoort.
Het pragmatisme is niet geïnteresseerd in het ware wezen van de werkelijkheid. Francis Bacon was de eerste pragmaticus; hij streefde niet naar kennis van de natuur, maar naar het dienstbaar maken van de natuur aan de mens. In die context heeft hij zijn bekende uitspraak “kennis is macht” gedaan. Waarheid en werkelijkheid zijn alleen hypothetisch van belang: waar of werkelijk is wat nog niet is gefalsifieerd. Het kennisbegrip zoals dat in de kenniseconomie tot uitdrukking komt is zoals gezegd pragmatisch: het gaat daar om de kennis die “werkt” of de “macht” heeft om economische belangen te dienen.
Het scepticisme staat lijnrecht tegenover het pragmatisme: aangezien we de werkelijkheid niet kunnen kennen, kunnen we er niet over oordelen en weten we niet hoe we moeten handelen. De scepticus staat machteloos tegenover de wereld.
Sinds de 1960er jaren publiceerde Karl Popper bijzondere ideeën over menselijke kennis in het algemeen, en van wetenschappelijke kennis in het bijzonder. In zijn boek Objective Knowledge (1972) presenteert Popper zijn "Drie werelden theorie". Deze houdt kortweg in dat er eigenlijk drie verschillende werelden zijn met in elk van die werelden allerlei objecten of zijnden, en dat die drie werelden alle drie even echt bestaan en altijd van elkaar te scheiden zijn en dus ook niet door elkaar gehaald moeten worden.
Mensen kunnen nooit negeren dat ze ideeën denken en de ene theorie meer waar vinden dan de andere, en dat betekent dus dat ze zich in hun gedachten (en dus vanuit hun plaats in wereld 2) tot die opvattingen (iets in wereld 3) kunnen verhouden, net zoals ze dat ook tot voorwerpen (iets in wereld 1) kunnen doen.[2]
In de analytische filosofie deelt men een standaardanalyse van het concept 'kennis', dat de JTB-analyse van kennis wordt genoemd (Justified True Belief). Volgens deze opvatting zijn de volgende condities tezamen noodzakelijke voorwaarden voor het prediceren van 'kennis':
Deze analyse komt in grote mate overeen met de opvatting van Plato. Edmund Gettier bedacht echter enkele voorbeelden waarin de genoemde condities wel vervuld zijn, maar we intuïtief toch niet geneigd zouden zijn van 'kennis' te spreken. Dergelijke voorbeelden worden een Gettier-probleem genoemd. Deze zijn tot op heden nog niet weerlegd en vormen een bron van discussie voor epistemologen.